

Domweg gelukkig op de Kwekersweg
Aanvankelijk dacht Henk Kappenberg dat hij niet meer zoveel herinneringen had – het was tenslotte al zo lang geleden. Maar al pratend kwamen er steeds meer verhalen boven, tot zijn eigen verbazing.
De jeugd aan de Kwekersweg
Ongeveer zeventig jaar geleden stond Henks wieg in een toen nieuwe woning aan de Kwekersweg: een Airey-hoekhuis. Daar woonde hij tot zijn achttiende met zijn vader, moeder, oudere broer en twee zussen. Zijn moeder was huisvrouw. Zijn vader werkte als burger bij het leger. Als schrijver maakte hij prachtig gekalligrafeerde oorkondes, diploma’s en andere officiële documenten. Iedere dag fietste hij helemaal naar Stroe en weer terug, met een heel brood in zijn tas.
Henk vertelt: “Ons speelterrein was de haven, het industrieterrein, het slachthuis aan de overkant en natuurlijk het Moerasje en de dennenbosjes. Ik zat op kleuterschool Kabouter Peperbol, vlak achter het terrein van Van Heugten, bij de vaten- en houthandel. Die vatenhandel was echt smerig, vooral door de olie. Het watertje dat daar langs liep vertrouwde ik nooit.
We hadden bij de kleuterschool een prachtige speeltuin – eigenlijk zelfs twee, herinner ik me. Na de middelbare school ging ik eerst werken bij ‘Ons Belang’, een echte kantoorbaan. Mijn moeder vond dat goed bij me passen. Maar ik vond het kneuterig en haalde vooral kattenkwaad uit. Dat soort banen bestaat niet meer.
Later ging ik bij Continental werken, een erg leuk bedrijf. Automatisering trok me altijd al. Toen de eerste pc’s kwamen, maakte ik mijn eigen programma’s. Ik kon alles aan elkaar knopen. Uiteindelijk werd dat bedrijfsonderdeel opgeheven. Daarna heb ik dertig jaar bij Norit gewerkt als IT-manager. Voor mijn werk had ik contacten over de hele wereld.”
Het leven in huis en op straat
“Wij waren de eerste bewoners van ons huis. Het was eigenlijk best klein, maar dat voelde toen helemaal niet zo. We hadden een kolenkachel, alleen beneden. Ik vond het prachtig om kooltjes te scheppen. De stalen kozijnen hadden enkel glas; in de winter stonden de bloemen op de ramen. Bij Koot, de groenteboer in Jericho, moest ik aardappelen halen. Ook deed ik boodschappen bij Van Dam, de kruidenier. De melkboer kwam aan huis, zonder flessen. Hij had een soort pomp en vulde daarmee je pannetje. Een koelkast hadden we nog niet, dus ik kreeg elke dag verse melk. De bakker van de ABF – de Amersfoortse Brood Fabriek – kwam met een elektrisch wagentje langs. De schillenboer reed door de straat. Soms kwam er een visboer die iets zong wat klonk als ‘handje weu’ – niemand verstond het, maar het ging over nieuwe haring.
De Kwekersweg was vroeger een drukke weg; in de spits kon je bijna niet oversteken. Er is zelfs eens een jongetje onder een vrachtwagen gekomen. De Ringweg en de Maatweg bestonden nog niet. Achter de huizen lag een schaatsbaan: de Maat. En als je verder liep, kwam je al in de weilanden. We liepen over de dijk langs Elzenaar; de kazematten waren toen nog open. Daar gebeurde van alles.
In de buurt woonden veel mensen uit Indonesië – daar waren we als kinderen toch een beetje bang voor. We verdedigden ons met een buks om ratten te schieten in het Moerasje. Geen idee hoe we daaraan kwamen. Van rietstengels maakten we pijl en boog.
De kinderen op de kleuterschool kwamen allemaal uit de buurt. Ik had leuke buurmeisjes – dat was spannend. Er woonden ook veel militairen. Mijn eerste vriendjes waren donkere jongens, ook kinderen van militairen. De Kwekersweg was een nette straat. Mensen zorgden goed voor hun huizen. Het was er heel groen. Toen later de garages werden gebouwd, verdwenen de bomen. Dat hadden ze nooit moeten doen.”
Mooie jeugdherinneringen
“We moesten altijd mee naar de kerk en op zondag naar de zondagsschool. Daar leerden we psalmen zingen, die we maandagochtend op school weer moesten zingen.
Maar verder was ik vooral buiten. Spelen in het Moerasje. Als je daarin viel, was je helemaal zwart. Ik ging vaak via het moeras naar mijn beste vriend, springend van eilandje naar eilandje. Er was nog geen pad. We sprongen van boomstam naar boomstam – zo staken we het Moerasje over. Dat vonden we stoer.
De buurt was ontzettend groen. Als ik van de kleuterschool naar huis liep, droomde ik weg. Ik genoot van het Groeneveld en het onderlangs. We hebben daar zelfs ijsvogels gezien.
Bij de tuinderij – waar nu de Auris-school staat – lag een grote zandberg waar we heerlijk speelden. Er was daar altijd leven. Op een dag vond ik boven op een turfberg een gitaar zonder achterkant. Mijn opa was timmerman en maakte er een achterkant op. Het leek meer op een pijl-en-boog, maar het was mijn eerste gitaar. Mijn tante gaf me een mondharmonica. Les heb ik nooit gehad; ik leerde alles zelf. Ik speelde in een bandje, eigen muziek – het leek nergens op. Een beetje underground. Maar het werd steeds beter. Ik bouwde zelfs mijn eigen versterkers. Die buizen vond ik prachtig.
Ik heb me tot het einde van de lagere school heerlijk vermaakt. We hadden een vrij leven en konden overal spelen. Alleen bij ’t Sasje durfden we niet te komen – daar waren we echt bang voor.”
Motorcrossen en verdwenen knotwilgen
“Ik heb veel herinneringen aan de Van Heugtenfabriek. Die stonk behoorlijk. De familie Van Heugten was bijzonder, met vier blonde zonen. Ton van Heugten werd later wereldkampioen zijspanmotorcross. Dat motorcrossen was prachtig. De Meridiaan was toen nog een grote zandvlakte waar kampioenschappen werden verreden. Het zand spatte hoog op – een geweldig gezicht. De fabriek stond open aan de kant van de haven.

Langs de Hooglandseweg Noord liep ik vaak over een verlaagd pad, langs een rij arbeidershuisjes met knotwilgen ervoor. Dat is allemaal verdwenen. Er is veel sfeer verloren gegaan – al is dat misschien vooral bekeken door de ogen van een kind.”