Terug naar hoofdinhoud
De oude haven
Het COVA-gebouw aan de oude haven

De scheepsjongen van de Hendrika

Dit is de eerste in een serie met verhalen uit de wijk. Stemmen die vertellen hoe het was. Mondelinge geschiedenis die duiding geeft aan het heden.


Aan het woord is Peter van de Heuvel, zoon van een binnenschipper, geboren op een binnenvaartschip, de Hendrika, liggend aan de Grote Koppel met een lading graan voor de COVA. De eerste zes jaar – dat was begin jaren ’50 - heeft hij op het schip gewoond en gevaren.


Hij hoefde niet naar school. Met zijn ouders en zusjes voeren ze van Rotterdam, Amsterdam of andere havens waar graan te laden was, via het IJsselmeer en de Eem naar Amersfoort. Na zes jaar ging hij bij opa en oma in Amersfoort wonen en kwam dan weer aan boord als de Hendrika in de haven lag. Dat was meestal elke week, maar dat hing helemaal af van de beschikbare vracht. Het was elke keer een flinke verhuizing van kleren, schoolboeken en speelgoed van de Grote Koppel naar de Arnhemseweg waar opa en oma woonden. En omgekeerd, soms zelfs wel 3 keer in de week.

Mooie jeugd
“Ik klaag niet, ik heb een mooie jeugd gehad, maar het was wel een bijzondere. Vriendjes had ik niet, want we lagen overal, Kleine Koppel, Grote Koppel, dan weer in Utrecht of Amsterdam. En in de vakanties was ik natuurlijk wel de hele week aan boord. Dat heeft wel impact op je leven. Ze hadden me beter naar het schippersinternaat kunnen doen.”
Communicatie was er niet zoals nu, mobiele telefoons waren er niet, zelfs geen marifoon aan boord. Ieder jaar, in januari werd er met de COVA onderhandeld over de prijs van de te vervoeren lading. Dat gebeurde met meerdere schippers, want er voeren vijf of zes schepen vast voor de COVA. Dat was een grote werkgever in de haven. Het was geen vetpot maar er werd voldoende verdiend. Een deel daarvan moest weer in het onderhoud van het schip gestoken worden. “Ik vond het varen leuk maar dat stilliggen niet. Ik wilde geen binnenschipper worden. Mijn moeder kon er helemaal niet tegen. Het kon stormen op het IJsselmeer vroeger. We werden echt zeeziek, alle stoelen en tafels vlogen door de roef. Als er een hevige storm verwacht werd ging mijn moeder wel eens met de trein naar Amsterdam of Utrecht en stapte daar dan aan boord.”


SS Rotterdam

Peter vervolgt: ”Na mijn 17e ben ik in het Soesterkwartier in de kost gegaan. Mijn vader is toen gestopt met varen en ze gingen aan de wal wonen. Mijn moeder was er heel erg blij mee. Ik ging toen weer thuis wonen. Mijn vader kreeg een baan als kraanmachinist bij de COVA, op zo’n rijdende kraan om de schepen te lossen. Daar heeft hij 20 jaar gewerkt. Pa vond werken aan de wal helemaal niks.”
Peter ging naar de hogere zeevaartschool om later op de grote vaart te werken, hij wilde niet meer in de binnenvaart. Hij heeft op de SS Rotterdam van de Holland Amerikalijn gewerkt en later op grote olietankers als scheepswerktuigkundige. Met de ss Rotterdam heeft hij in 1975 de wereldreis gemaakt. In 80 dagen de wereld rond en nog betaald krijgen ook. Na vele jaren op zee ging hij aan wal werken, in Utrecht, en later in Amersfoort bij Rohm en Haas, bij Bramson en tot zijn pensioen bij Eneco. Hij heeft al die jaren in Amersfoort gewoond, is er nooit meer weggeweest.

Scheepspraat
“Als er een order kwam dan moesten mijn vader en moeder op stel en sprong weg. Zo ging dat. Opa haalde mij dan op van school. Later ging ik naar de Andreas-Mulo aan de Ringweg-Koppel. Uit school fietste ik dan langs de haven. Vaak was het schip dan weg en moest ik doorfietsen naar opa en oma. Vader vond het schip later wat te klein. Er is toen tien meter tussen gezet. Dat werd veel gedaan in die tijd. Grappig is dat het schip eerst dezelfde afmetingen had als de Piet Hein van Juliana en Bernhard. Het schip is later verkocht aan familie, daarna is het begin 80-er jaren gesloopt. Vroeger was er geen marifoon aan boord. Zo voeren ze een keer volgeladen op de Eem naar Amersfoort. Moeder was de ramen aan het zemen, ze rekte en er knapte een slagader in haar buik. Pa ging toen op volle kracht naar Amersfoort. Hij heeft toen heel hard geschreeuwd bij de Eembrug om een ambulance. Die kwam gelukkig op tijd. De arts in het ziekenhuis zei dat het geen 5 minuten langer had moeten duren. Dan was ze dood geweest. Ze hebben later ook nooit een marifoon gehad, er was ook geen tv, geen koelkast. Die kregen we later wel, een heel kleintje op butagas. We sliepen met z’n vijven in een klein kamertje achter de roef. De roef was de leefruimte. Daar kon net een tafel met 4 stoelen staan. Groter was het niet. De keuken was zo klein dat mijn moeder daar alleen in haar eentje kon staan. En onze behoeften gingen zo de Eem in. Het water van de Eem was echt slecht, via een buis, waar nu het huidige Eemplein is, kwam alle rotzooi zo het water in. Daar wil je echt niet in zwemmen. Er waren toen nog veel bochten in de Eem, daardoor konden er geen grote schepen varen. En soms stond het water heel erg laag, dan konden ze ook niet varen. Er zijn later meerdere bochten afgesneden. Toen konden er wel grotere schepen door. In de winter als het IJsselmeer dichtgevroren was werd er soms vanuit Amsterdam met meerdere schepen een ijsbreker ingehuurd om naar Amersfoort te kunnen varen. Als ook dat niet meer ging werden de schepen in Utrecht gelost en werd de lading met vrachtwagens naar Amersfoort of direct naar de klant vervoerd."

Herinneringen aan de haven
Op de Grote Koppel in het tweede huis vanaf het spoor had je Vliek. Die had twee schepen die voeren alleen naar de Zaan. Het ene schip is bij de wat oudere Amersfoorters bekend als het schip waarmee sinterklaas zijn intocht in Amersfoort deed. Dan d’Eersteling, de grote silo erachter is als eerste gesloopt. Op de Kleine Koppel stonden ook silo’s van Van Nieuwenhuizen en Gerritsen. Om de silo van Gerritsen te slopen werden er enkele poten onderuit geblazen met springstof. Helaas bleef de silo toen gewoon staan, maar wel heel erg scheef.
“Er was een goede sfeer in de haven. Het was allemaal familie van elkaar, iedereen kende iedereen, het was gezellig. We voetbalden tussen ’t Spijkertje en de muur van Bramson, die zaten in papierverwerking. De Oliesteeg zat tegenover ’t Spijkertje, daar zat de vatenhandel van Meester. Er stonden veel lege vaten, die knalden ’s avonds door het ijzer dat uitzette. En ratten, veel ratten waren er, enorme, soms zo groot als een kat. Die kwamen ook aan boord. Hele nesten. Ze hadden een mooi leven bij de COVA.



Drinken van net verdiende loon
"De sfeer bij de COVA was heel vriendelijk. Alleen met onderhandelingen was het wel even anders. Met mensen van het Sasje had ik weinig contact. Daar kwamen we liever niet, ze zagen ons ook liever niet komen. Van de bouw van Jeruzalem en Jericho herinner in me niet veel, ik was nog te klein. Op de Kwekersweg waren wel mensen die we kenden. Die gingen vrijdagmiddag naar het kroegje bij de Koppelpoort, om met hun net verdiende loon te gaan drinken. ’s Avonds laat weer als een maleier terug, wankelend langs de Eem. Maar ze vielen er niet in. Op het terrein van Van Heugten werd er met motoren gecrosst. Ton van Heugten was een kampioen op de zijspan.”

Ballen van rubber
Peter: “Waar nu ongeveer Merlot zit, daar zat een bandenhandel. Die 'recoverden' banden. Dan zat die ouwe Van der Span dagen achterelkaar op zijn stoeltje voor het gebouw op de Grote Koppel met een mesje die banden te herstellen. Elke dag weer. Nu mag dat niet meer. Wij verzamelden de rubbers en maakten daar dan ballen van."

Grootste overslag-binnenhaven van Nederland
"Koekebakker, naast de Oliesteeg, was een houthandel. Daarachter zat die vatenhandel. Bij Koekebakker gingen we altijd hout jatten. Verderop zat de COVA, eerst de hal waar de kraan naar binnenreed en daarna de silo’s. Dan kwam je bij Bakker, een transportbedrijf. Ze hadden ook eigen schepen. Het benzinestation was toen nog in gebruik. Bij Bakker hadden ze ook een handel in Dafjes. Ze zijn al in de jaren 80 weggegaan. De buurt had te veel overlast van al die vrachtwagens. Op het Spui (waar Guco zat), zat een oom van mijn moeder met twee schepen. Die voeren onder andere voor Phoenix met bier naar Amsterdam en later voor de Amstelbrouwerij met bier van Amsterdam naar Amersfoort. Dat bedrijf heette Houtzager & Heineman. Er lagen soms wel 50 schepen in de haven. Amersfoort was toen de grootste binnenhaven voor overslag in Nederland. Er werden duizenden tonnen graan per week overgeslagen, allemaal voor de Veluwe, voor de kippen en varkens. Ik vind het echt jammer dat die geschiedenis verdwenen is.”

Nostalgie...
“Opa was ook binnenschipper. Die liep later elke dag naar de haven. Tegenover waar nu Dara zit, lag een heel origineel tjalkje, daar woonden twee broers van mijn opa. Ik heb nog altijd spijt dat ik dat schip niet gekocht heb. Het was helemaal origineel. Ik heb daar nog een mooi schilderijtje van. Het stond er van binnen blauw van de sigarenrook, en natuurlijk dronken ze daar een borreltje bij. Ik ben nostalgisch over de haven, omdat er niks van is overgebleven, van de binnenvaart. Alles verdween langzamerhand op de Grote- en Kleine Koppel. Waarom doet men zo weinig met die haven, daar is Amersfoort toch groot mee geworden? Maar nergens iets van de schepen, van de verhalen, helemaal niks. Die ouwe mannen zijn nu allemaal dood.”

AFT007001484 LR 

 

AFT007001486 LR

 

IMG 4611 LR

 

IMG 4610 LR

 

AFT007001331 LR